Een marathon wordt vandaag de dag gelopen in ruim 2 uur. Een triomf voor het menselijk uithoudingsvermogen en het is nog niet eens het
uiterste wat we kunnen. Triatleten voegen aan zo'n marathon ook nog eens 180 kilometer fietsen en ruim vier kilometer zwemmen toe.

Vanuit een evolutionair standpunt bezien is ons vermogen om heel lang, heel hard te lopen niet vanzelfsprekend. Onze voorouders van twee
miljoen jaar geleden klommen nog in de bomen en kijk nu eens: er is nauwelijks een ander dier op aarde dat zo lang kan rennen. Hoe dat zo
gekomen is, vormt het favoriete onderwerp van de Amerikaanse bioloog David Carrier. Hij was onlangs te gast tijdens het Leidse
biologencongres Progress in Evolution: From Molecules to Communities en is als 'associate professor' verbonden aan de Universiteit van Utah in
Salt Lake City.

"Het menselijk vermogen om lang en hard te rennen is om meer dan één reden merkwaardig", vindt Carrier. "Mensen, en dan vooral mannen,
zijn namelijk ook erg agressief. In de natuur komt het niet vaak voor dat dieren die een groot renvermogen hebben, ook een tomeloze agressie
tentoon spreiden. De evolutie doet namelijk aan uitruil."

Daarmee bedoelt de bioloog dat soorten zich doorgaans óf in voortbeweging of in vechtkunst specialiseren.

Paarden, zebra's en antilopen hebben lichte, dunne poten met niets anders dan bot, pees, zenuwen bloedvaten. Daarmee kunnen ze hard
rennen, maar het is bijna onmogelijk om er een flinke klap mee uit te delen. Gorilla's, beren en leeuwen hebben daarentegen zware poten vol
spieren waarmee ze keihard  kunnen slaan, maar veel meer dan een kort sprintje kunnen zij er niet mee trekken.

Voortplanting
Bij dieren die gespecialiseerd zijn in efficiënte voortbeweging is er nauwelijks verschil tussen mannetjes en vrouwtjes te zien. Vechtdieren zijn
daarentegen duidelijk 'seksueel dimorf': mannetjes zijn groter, sterker en zwaarder dan vrouwtjes. Ze vechten met andere mannetjes om
zoveel mogelijk vrouwtjes te krijgen. Dat betekent dat grote, sterke mannetjes in het voordeel zijn bij de voortplanting en dat kleine mannetjes
het nakijken hebben.
Alleen dieren met geweien of hoorns op hun kop kunnen zich onttrekken aan de keuze die de evolutie hun oplegt. Herten, antilopen en de oryx
uit de Arabische woestijn kunnen zich voluit op rennen specialiseren en tegelijkertijd rivalen doden met de geduchte wapens op hun kop. Het
lijkt erop, meent Carrier, dat mensen dezelfde weg hebben gevolgd. Alleen hebben zij hun wapens niet op hun kop, maar in hun hand.

Carrier is allang gefascineerd in dat opmerkelijke dubbele vermogen van mensen. De afgelopen jaren heeft hij hier systematisch onderzoek
naar gedaan. Hij heeft eerst gekeken naar de manier waarop ren- en vechtdieren zich in de natuur ontwikkelen. Hij heeft hazewindhonden zoals
greyhounds vergeleken met vechthonden zoals pitbulls. Daarna heeft hij uitgebreid gekeken naar alle fossielen van de Homini dae, de
dierfamilie waar wij ook deel van uitmaken.
Deze Hominidae verschillen van andere apen niet door het bezit van hersens of doordat zij rechtop lopen, maar doordat zij hun staart niet als
'vijfde hand' gebruiken, zoals allerlei slingerapen wel doen. Het orgaan kon daardoor in de loop van de evolutie verdwijnen. Mensen hebben als
overblijfsel alleen nog een staartbeen, een stuitje. Hetzelfde geldt voor onze verre neven: chimpansees, bonobo's, gorilla's en orang oetans. Dit
opmerkelijke gegeven helpt biologen en paleontologen bij het opstellen van een familiestamboom op grond van archeologische gegevens.

De ontwikkeling van de Hominidae is zo'n vijftig miljoen jaar geleden begonnen met Purgatorius, een aap zo groot als een rat, die in bomen
leefde en die bladeren en vruchten at. Daarna kwamen er allerlei soorten mensapen, maar behalve het ontbreken van een staart hadden zij
weinig met ons gemeen. Pas omstreeks veertien miljoen jaar geleden kwam er een mens aap die iets deed wat wij herkennen: Kenyapithecus,
die stenen en gebroken botten gebruikte als werktuigen.
Na die tijd onderscheiden paleontologen drie golven in de ontwikkeling van de Hominidae. Eerst kwamen de Australopitheci (die leefden tussen
vijf en één miljoen jaar geleden), die zich ontwikkelden tot Homo habilis (drie tot één miljoen jaar geleden). Uit deze laatste ontwikkelde zich
Homo erectus(vanaf twee miljoen jaar geleden) waarvan de laatste vertegenwoordiger, de Neandertaler, pas 28.000 jaar geleden uitstierf.
Ondertussen ontwikkelde zich uit die Homo erectus zo'n 250.000 jaar geleden ook de moderne mens, Homo sapiens. Carrier is vooral
geïnteresseerd in twee aspecten van deze langdurige evolutie: de ontwikkeling van een dier dat goed in bomen kon klimmen tot de best
rennende dieren ter wereld, en onze seksuele dimorfie die een verleden als vechtdier verraadt. Mensenmannen zijn gemiddeld 1,18 keer
zwaarder dan vrouwen en ze zijn groter en gespierder.

Zulke verschillen vormen een essentieel kenmerk van alle Hominidae. Bij Oreopithecus bambolii, een mensaap die zo'n negen miljoen jaar
geleden leefde, is die al duidelijk te zien. Mannetjes wogen 30 tot 40 kilo, vrouwtjes ruwweg de helft. In de periode daarna evolueerden
mensachtigen in uiteenlopende richtingen, maar nooit zo ver dat het verschil tussen mannen en vrouwen verdween. Ook onder moderne
mensen is polygamie nog algemeen voorkomend, zelfs in culturen waar monogamie de norm is. Het is sociologen al vaak opgevallen dat
hooggeplaatste mannetjes meer vrouwen 'mogen' hebbén, die maîtresses worden genoemd; Laaggeplaatste mannetjes behelpen zich met
prostituees.

Vechtdieren
Vooral Australopitheci waren uitgesproken seksueel dimorf. De bekende Lucy, die een Afarensis (aapmens) was, moet zo'n 29 kilo gewogen
hebben. Een gemiddelde afarensis-man woog 45 kilo en was daarmee dus 1,55 keer zo zwaar als zijn vrouw. Dat is wel een groot verschil met
de 1,18 die bij moderne mensen gemeten is.
Carrier ziet nog andere belangrijke anatomische verschillen met 'ons', die hem ervan hebben overtuigd dat Australopitheci echte vechtdieren
waren.
"Ze hadden lange, zeer gespierde armen en kórte benen. Hun handen en voeten waren groot. Ze hadden brede heupen, die stabiliteit gaven
tijdens gevechten. Ook hun ruggengraat,hun ribben, hun kaken en hun schedels waren zwaar uitgevoerd. Ze waren kortom buitengewoon
robuust en konden tegen een stootje." Zelfs, oppert hij, kan het rechtop lopen waar Australopitheci mee begonnen, wel iets met een verbeterd
vechtvermogen te maken hebben. Wie rechtop staat, heeft zijn voorpoten vrij om mee' te slaan.

De bioloog uit Utah ziet een duidelijk verband tussen de min of meer gelijktijdige opkomst van mensachtigen die goed kunnen rennen en het
ontstaan van de eerste echte stenen werktuigen. "Die processen deden zich allebei voor tussen 2,5 miljoen en 1,8 miljoen jaar geleden. Speren
en knotsen zijn de oudste wapens. Lichte, relatief zwakke dieren die goed rennen, kunnen met zo'n wapen toch succes boeken in een gevecht
met een sterkere tegenstander", peinst Carrier.

Maar hij gaat verder. "Het ontwikkelen van nieuwe wapens is een constante in de geschiedenis van de mens. Daarin stoppen we buitengewoon
veel creativiteit en energie. Oorlog is een aanjager voor technische innovatie. Toen wapens eenmaal waren 'ontdekt', heeft dat de ontwikkeling
van de mens een nieuwe richting gegeven. Er kwam minder natuurlijke selectie op fysieke kracht en meer op intellect en technisch inzicht."

Carrier redeneert dat als mensen inderdaad lijken op dieren met geweien of horens, zij zich sinds de uitvinding van wapens sterker in de
richting van een 'rennend dier' moeten hebben ontwikkeld. Zij hadden hun lijven immers niet meer nodig om mee te vechten, daarvoor konden
zij hun knuppels en speren gebruiken. Verder zouden er bewijzen van verwondingen door wapens te vinden moeten zijn in de fossiele botten
van Homo- sapiens soorten.

Bewijs voor het eerste vindt Carrier in de afname van seksuele dimorfie over de afgelopen twee miljoen jaar. Australopithecus-mannen, die
door hun gewicht en hun bouw niet goed konden rennen, waren nog anderhalf keer zo zwaar als hun vrouwtjes, bij moderne mensen is dat
getal gezakt tot 1,18.

Bewijs voor verwondingen is er ook. Bij Homo erectus-fossielen worden veel (genezen) schedelbreuken en verwondingen aan nekwervels
geconstateerd, tot gemiddeld wel dertig procent van alle vondsten. Gezien het feit dat mensen of mensachtigen schedels niet met hun blote
handen kunnen breken, is dat een sterke aanwijzing voor het gebruik van wapens." Met deze hypothese in het achterhoofd kan Carrier een
verklaring geven voor de enorme wenkbrauwrichels en dikke schedels van Neandertalers. Allang was bekend dat deze oermensen grote
afstanden konden rennen in hun jacht op mammoeten en wolharige neushoorns. Zij waren gespecialiseerd in efficiënte voortbeweging over
lange afstand. Ook verbazen archeologen zich over de enorme hoeveelheden bot- en schedelbreuken, die keer op keer in
Neandertalerskeletten worden gevonden. Carrier ziet in de versterkte schedels van Neandertalers een evolutionaire aanpassing aan de
verhoogde kans op verwondingen.

Rechtsstelsel
Carrier is zich ervan bewust dat zijn onderzoek naar het loop- en het vechtvermogen van mensen bepaald geen waardenvrije wetenschap is.
"Mannen, en dan vooral jonge mannen, zijn door de evolutie voor agressie en geweld 'voorgeprogrammeerd'. Zij zien daarin een goede
methode om concurrerende mannen af te troeven, vrouwen aan zich te binden en om aan 'buit' te komen. Een strenger rechtsstelsel en een
cultuur waarin geweld en agressie worden afgekeurd, kunnen de gewelddadigheid van jonge mannen inperken, maar er geen einde aan maken.
Hetzelfde geldt voor polygamie, dat evenmin door wetten en door een monogame cultuur uitgebannen kan worden."

Carrier geeft regelmatig lezingen over zijn onderzoek. Het valt hem dan op hoe groot de weerstand is tegen zijn conclusies. Zijn bevinding dat
mensen voor agressie gebouwd zijn, is sterk in strijd met het idee dat de samenleving maakbaar is. Nederlanders zijn er al meer aan gewend
dat mensen het resultaat zijn van 'nature' én 'nurture', dus van aanleg én opvoeding. "Ik heb dat ook gemerkt tijdens het congres Evolution in
Progress, waar mijn lezing tot mijn vreugde goed werd ontvangen.

In de Verenigde Staten leeft het idee van een maakbare samenleving nog volóp. Het idee dat geweld uitgebannen kan worden zit bij ons diep,
zelfs bij mijn vakgenoten. Zij willen dat de mens een vreedzame diersoort is en zijn geschokt als ik aantoon dat dat niet zo is, zegt hij. Als ik
daar, nog aan toevoeg dat de ontwikkeling van wapens een essentiële rol heeft gespeeld in de evolutie van de mens tot wie hij nu is, dan is
ontkenning de eerste reactie.

Dat kan en mag niet waar zijn. Mensen vinden het moeilijk om te erkennen dat geweld en oorlog in ons zitten, dat het ons maakt tot wat wij
zijn. Soms worden ze er echt agressief van."

Door Wilfred Simons,
bron: HC, Juni 2003
We are Born to fight...
Copyright © Saji Dojo   l    Saji Dojo Productions   2011   l    All rights reserved
end page
SAJI DOJO